INTERVIEW

Astrid Sy: “Ik voelde me hier niet thuis en wilde altijd weg”

Astrid Sy voor Libelle Beeld Astrid Sy voor Libelle
Astrid Sy voor LibelleBeeld Astrid Sy voor Libelle

Als historica houdt ze zich bezig met de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust, het grote publiek kent Astrid Sy (33) vooral van de tv-programma’s Andere tijden en De slimste mens. Begin mei 2021 verschijnt haar tweede roman, over drie jonge vrouwen die joodse kinderen redden uit de handen van de nazi’s.

Over Astrid Sy
De vader van Astrid Sy is Senegalees-Mauritaans. Ze werd grootgebracht door haar Fins-Zweedse moeder en Nederlandse stiefvader in Leiden. Ze studeerde middeleeuwse geschiedenis in Amsterdam en liep stage in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam ende instelling Yad Vashem in Jeruzalem. Daar kreeg ze na haar studie een baan als filmonderzoeker. Daarnaast werkte ze bij de educatieve afdeling van de Anne Frank Stichting. Ze is presentator van het geschiedenisprogramma Andere tijden en werkt inmiddels voor het Nationaal Holocaust Museum, dat momenteel wordt verbouwd.

In 2017 verscheen haar kinderboek De brieven van Mia (Rose Stories), op 1 mei verschijnt haar roman Noem geen namen (Luitingh-Sijthoff). Astrid woont samen met haar vriend Pim en zoontje Pelle en is zwanger van haar tweede kind.

Wegsmokkelen

Het is 2011 als student geschiedenis Astrid Sy stage loopt bij Yad Vashem, het museum over de Jodenvervolging in Jeruzalem. Op haar allereerste werkdag wordt haar gevraagd een stuk naar het Engels te vertalen dat in 1986 in het weekblad Vrij Nederland stond. Het verhaal gaat over de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg op de Plantage Middenlaan in Amsterdam.

In de Hollandsche Schouwburg moesten in de Tweede Wereldoorlog Nederlandse joden zich verzamelen die op de trein werden gezet naar Westerbork om van daaruit verder te worden gedeporteerd naar Duitse vernietigingskampen in Polen als Sobibor en Auschwitz. Het stuk in VN vertelt een tot dan toe vrij onbekende geschiedenis: uit de crèche werden in 1942 en 1943 zo’n zeshonderd joodse kinderen weggesmokkeld. Onder de ogen van de Duitsers, door meisjes en jonge vrouwen die er als kinderverzorgster werkten. De kinderen werden vervolgens door verzetsgroepen naar onderduikadressen gebracht.

Onverschrokken

“Ik las dat verhaal en ik was daarna totaal… ” Astrid schudt in verbijstering haar hoofd. “Ik zie mezelf nog lopen over die lange stoffige weg, van de tram naar het museum. Ik dacht: waarom wist ik dit niet? Dit verhaal moet toch iedereen kennen! Ik was begin twintig en plots drong tot me door: dit waren meisjes van zeventien, achttien, twintig jaar. Meisjes zoals ik, met een heel gewoon leven, die echt bizarre dingen hebben gedaan om anderen te redden en daar hun leven voor op het spel hebben gezet. Hoe onverschrokken ben je dan wel niet?”

Roman

In haar knusse houten huisje aan het Markermeer lijkt schrijfster en presentator van het tv-programma Andere tijden nog steeds overdonderd door de moed van deze jonge mensen. Ze zit aan tafel met een kop thee, een lichtroze jurk spant over haar 21 weken zwangere buik. Op de grond ligt speelgoed van haar zoontje Pelle (3) verspreid. Ze vertelt hoe het verhaal van de crèche haar niet losliet, over de drang er een roman over te schrijven voor jongeren, de doelgroep die zich het meest zou kunnen identificeren met deze jonge verzetshelden.

“Het waren nog kinderen. In die tijd bij Yad Vashem kreeg ik ook foto’s van gevangengenomen Duitse soldaten onder ogen – ik zag opeens dat het heel jonge jochies waren. Opeens was er dat besef: de ellende van oorlog, die komt voor jonge mensen het meest dichtbij. Zo’n bizar idee. Ik had nooit eerder de verbinding kunnen leggen tussen de oorlog en mezelf, maar nu wel. En ik realiseerde me: deze mensen hadden daarnaast ook gewoon een leven. Ze werden verliefd, sloten vriendschappen, kibbelden, verveelden zich, hadden lol met elkaar…”

Anne Frank

Tien jaar schreef ze aan haar roman Noem geen namen. “In de avonduren, in het weekend, in vakanties, in de trein. In alle gestolen uurtjes naast mijn werk.” Na haar master kreeg ze bij Yad Vashem een baan als filmresearcher; ze verzamelde en onderzocht filmbeelden van voor en tijdens de oorlog. Later ging ze bij de Anne Frank Stichting werken op de educatieve afdeling. Ze ging met scholieren in gesprek, in Nederland, Polen, Oostenrijk, Amerika.

“Het verhaal van Anne Frank was aanleiding om te vertellen over de Holocaust, over wat eraan ten grondslag lag, waarom mensenrechten zo belangrijk zijn, hoe je vooroordelen en discriminatie herkent. Anne was een gewoon meisje dat wilde dansen, schaatsen, dat jongens leuk vond. Maar ze was ook joods. Wat betekende dat? Hoe keken andere mensen naar haar? Het ging heel erg over wij-zijdenken, het individu versus de groep. Superinteressant en leuk werk.”

Gruwelijk

Je moeder heeft Scandinavische roots, je vader komt uit Senegal. Je bent zelf niet joods. Vanwaar die interesse in de Tweede Wereldoorlog?

“Ik studeerde middeleeuwse geschiedenis. Bij Yad Vashem ging ik stage lopen omdat ik geïnteresseerd was in de omgang tussen moslims, joden en christenen, in hoe die verschillende religieuze groeperingen naar elkaar keken. Ik had al onderzoek gedaan naar de jodenvervolging door de eeuwen heen. De Tweede Wereldoorlog en de Holocaust liggen in het verlengde daarvan. Bij het museum hield ik me vooral bezig met getuigenissen, de verhalen van joden uit de oorlog. Die vaak zo gruwelijk waren dat ik dacht: hier kan ik niet werken.”

Zelf ben je ook een echte verhalenverteller. Toen ik je boek las, wás ik in de crèche, ik zát in die trein of op die studentenkamer.

“Tijdens het schrijven verdween ik totaal in de belevingswereld van mijn personages: ik voelde wat zij voelden, dacht wat zij dachten. Ik wilde weten: wat gaat er door je heen als je zulke spannende dingen doet? Wéét je wat je aan het doen bent en ben je je bewust van het gevaar? Door mijn onderzoek kwam ik erachter dat ze vaak ook maar wat deden en ter plekke de regels verzonnen. Dan las ik zo’n briefje waarin stond: “Als je verraad ruikt op het station, fluit dan de zevende symfonie van Beethoven.”

Ware gebeurtenissen

Ze benadrukt dat het een roman is, dat de meeste personages zijn bedacht, maar dat het verhaal wel steunt op ware feiten en gebeurtenissen.

“Mijn boek volgt twee verhaallijnen: die van de kinderverzorgsters en die van de verzetsmensen. Rosie, de joodse kinderverzorgster, is geïnspireerd op Sieny Cohen-Kattenburg. Kaat, een andere hoofdpersoon, is gebaseerd op het karakter van Gisela Söhnlein , die in de oorlog in het studentenverzet rolde. Ze leeft nog (ze wordt in oktober 2021 100 jaar, red.), met haar heb ik veel gesproken. Ze kreeg een bijzondere vriendschap met een ander meisje uit het verzet, Hetty Voûte – Josephine in mijn boek. Ze zijn opgepakt en uiteindelijk via Kamp Vught in Ravensbrück terechtgekomen. Beiden overleefden ze het.” Ze schudt haar hoofd. “Gisela is echt onverschrokken, angstloos. Die ging gewoon!”

Het is ook het verhaal van mijn moeder. Als meisje van 20 bracht ze joodse kinderen naar onderduikadressen in het hele land. Ze vertelde me dat ze vaak doodsangsten uitstond. Maar ik kreeg ook de indruk dat de oorlog de tijd van haar leven was.

“Dat is precies de indruk die ik van Gisela kreeg. Bij haar zag ik: die tijd was verschrikkelijk, maar ook heel bijzonder omdat je de meest bizarre dingen meemaakte. Van Kaat heb ik een meisje gemaakt dat zoekende is, ze verveelt zich en wacht tot haar leven kan beginnen. Ze rolt in het verzet: dat is kicken, dat geeft spanning, dat is leven. En dan is de oorlog voorbij. Mensen zijn dood, alles is zwaar, maar je moet door. Is dit nu de vrijheid waarvoor je zo hebt gestreden, waarnaar je zo hebt verlangd?” Ze schudt verbijsterd haar hoofd: “Gisela leeft helemaal op als ze vertelt over Ravensbrück. Het was er de hel, maar zij heeft er een verhaal van gemaakt, bijna als een buitenstaander. Misschien móet je dat wel om ermee te kunnen dealen.”

Heftig in alles

Ben je zelf iemand die kicks zoekt?

“Ik kan niet goed tegen rust. Het leven moet spannend en uitdagend zijn. Ik was altijd heel intens op het gebied van feesten en uitgaan en jongens. Heftig in alles en dat is ook weer vermoeiend. Maar goed, ik heb nu een kind, ik ben zwanger, het is coronatijd – ik ben sinds mensenheugenis niet meer uit de band gesprongen. De laatste keer was in Finland, vorige zomer, toen ben ik met mijn vriend heel erg dronken geworden. Héérlijk.”

Hoe zit het precies met jouw Zweedse-Finse-Senegalese roots?

“Mijn Fins-Zweedse grootouders zijn naar Nederland geëmigreerd toen mijn opa voor de KLM ging vliegen. Mijn moeder is hier opgegroeid. Ze werkte bij Buitenlandse Zaken en als diplomaat heeft ze een paar jaar in Afrika gewoond. Daar ontmoette ze mijn vader. Twee jaar na mijn geboorte ging ze met mij terug naar Nederland. Ze begon weer een relatie met haar jeugdliefde en hij werd mijn nieuwe vader; vanaf het moment dat ze weer bij elkaar waren, beschouwde hij mij als zijn kind. Ik heb daar nooit aan getwijfeld. Toen ze gingen scheiden, ik was 13, ging ik de helft van de tijd bij hem wonen. Hij is hertrouwd, ik heb een broertje dat hartstikke blond en wit is, maar hij voelt helemaal als mijn broertje.”

Hoe oud was je toen je voor het eerst je biologische vader opzocht?

“Een jaar of 21. Ik had hem wel twee keer in Nederland ontmoet, op mijn 10de en 16de, maar geen band met hem opgebouwd. Ik was altijd boos dat hij daar zat en ik hier. Voor mij had hij afgedaan. Maar ik had een halfbroertje en twee halfzusjes uit zijn tweede huwelijk met een Franse vrouw en ik realiseerde me: zij vragen zich ook vast af wie ik ben. Ik ben op Facebook mijn zusje gaan zoeken, we zijn gaan chatten en na een paar maanden vloog ik al naar Senegal.” Ze lacht. “Mijn vader heeft me echt geholpen bij die worsteling. Hij was degene met wie ik er voor het eerst over praatte. Mijn moeder vond dat lastig. Mijn vader heeft me op het vliegtuig gezet. Voor hem moet het toch ook spannend zijn geweest.”

Astrid Sy voor Libelle Beeld Astrid Sy voor Libelle
Astrid Sy voor LibelleBeeld Astrid Sy voor Libelle

Afkomst

Worstelde je erg met je Afrikaanse afkomst?

“In mijn studententijd was ik in verwarring en zoekende. Ik voelde me hier niet thuis en wilde altijd weg. Ik luisterde ook altijd naar Senegalese muziek. Maar toen ik daar was… ik voelde geen verbinding. Ik was wel heel blij met mijn broertje en zusjes, maar met mijn vader voelde ik het niet. Ik hád al een vader, een superlieve, geweldige vader. Ik voelde me ook heel Europees daar, vond het irritant dat iedereen me aanraakte, de drukte en het geschreeuw, terwijl ik zelf ook best luidruchtig ben. Met mijn zusjes en broertje heb ik een goede band gekregen. Mijn zusjes wonen nu in Parijs en de oudste logeerde vaak bij me. Dan gingen we met mijn vrienden uit en hadden we zó veel lol.”

Hoe was het voor jou om als meisje van kleur op te groeien in een witte omgeving?

“Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik niet bij mijn familie hoorde, maar op de middelbare school in Leiden was mijn huidskleur wel een dingetje. Voor de mensen die niet wit waren was ik een soort verrader en bij de witte mensen moest ik me altijd speciaal voelen omdat ik anders was. Dan zeiden ze: ‘Die jongen valt nooit op donkere meisjes, maar wel op jou.’ Dan moest ik trots zijn of zo.

Mijn moeder reisde veel voor haar werk en ik mocht vaak mee. Naar Syrië, Koeweit, de VS, India. Andere culturen, mensen uit andere landen – ik vond het de normaalste zaak van de wereld. Ik begreep nooit waarom iedereen elkaar zo onaardig vond en dat er altijd oorlogen en conflicten waren. Toen Pim Fortuyn opkwam, moest ik altijd aan dat Marokkaanse meisje in mijn klas denken: als zij hem op tv hoorde praten over wat er mis was met de multiculturele samenleving, wat zou er dan door haar heen gaan?” Ze is even stil. “Als je het zo bekijkt is het niet zo raar dat ik me in mijn werk bezighoud met botsingen tussen culturen.”

Thuiskomen

Heb je inmiddels uitgevogeld wat je identiteit is?

“Toen ik bij de Anne Frank Stichting werkte, viel het kwartje. Daar waren heel veel mensen met ouders uit verschillende landen of culturen. Toen besefte ik: je hóeft niet gelinkt te zijn aan een plek. Je hóeft niet een land te hebben dat bij jou hoort. Dat vond ik zo geruststellend. Ik heb dan wel Afrikaans bloed, maar ik voel me niet Afrikaans, want ik ben daar niet opgevoed. Ik voel me wél thuis in Nederland, hier ben ik geworteld, ik woon hier met mijn vriend en zoontje, hier heb ik familie en vrienden. En ik voel me ook diep verbonden met de Scandinavische tradities, waarmee mijn moeder me heeft grootgebracht. We hebben een zomerhuisje daar en als ik daar kom, voelt het als een warm bad: de mensen, hun gewoonten, het eten – alles daar voelt als thuiskomen.”

Die kosmopolitische achtergrond heeft je veel gebracht.

“Absoluut. Als kind moest ik van mijn moeder naar een Bijbelklasje, geweldig vond ik dat. Dan gingen we naar de synagoge of de moskee, ergens Pesach vieren of het Suikerfeest. De verhalen uit de kinderbijbel – honderd keer heb ik die gelezen. Daardoor ben ik van verhalen gaan houden, van Astrid Lindgren, Jules Verne, Het kleine huis in het grote bos, mythes en sagen. Ik lees Pelle nu ook al boekjes voor in het Zweeds, Nederlands, Frans, Engels. Ik wil mijn kinderen opvoeden als wereldburgers.”

Lachend: “Ik lak ook zijn nageltjes en hij draagt soms gekke Finse bloemetjesbroekjes waarin hij net een meisje lijkt. Mijn vriend moet er wel om lachen. Van ons mogen onze kinderen worden wie ze willen worden.”

Interview: José Rozenbroek. Fotografie: Petronellanitta.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden