Fiona (57): “Op mijn werk ben ik een nare vrouw” Beeld Getty Images
Fiona (57): “Op mijn werk ben ik een nare vrouw”Beeld Getty Images

Uit andere media

Fiona (57): “Op mijn werk ben ik een nare vrouw”

Fiona (57) is privé een leuke vrouw, maar op haar werk een stuk minder aimabel. “Eigenlijk heb ik een hekel aan de persoon die ik op de werkvloer ben.”

Nouveau magazine - Marian de SchipperGetty Images

Dit artikel is afkomstig uit Nouveau magazine. Elke dag verschijnt een selectie van de beste artikelen uit de tijdschriften op Libelle. Daar lees je hier meer over.

“Ik ben in alle eerlijkheid een onaangenaam persoon om mee samen te werken. Lang heb ik het ontkend. Ik vond het ook niet belangrijk. Waarom zou je leuk moeten zijn op je werk? Wat heb je daaraan in de commerciële wereld? Met leuk zijn boek je geen resultaten en maak je geen winst.

En wat houdt ‘leuk zijn’ eigenlijk in? Een oppervlakkig praatje maken bij de koffieautomaat? Informeren naar de weekendplannen van een collega die je verder niet bijster interessant vindt? Tegen heug en meug taart eten als iemand jarig is? Complimentjes geven?

Als ik eerlijk ben, vind ik het allemaal tijdverspilling. Het leidt alleen maar af. Om die reden vind ik populair gedrag ook verdacht. Welke wanprestatie heb jij te verhullen, is vaak de eerste vraag die in me opkomt als een collega opvallend behulpzaam is of hard moet lachen om een grapje van de baas.

Gelukkig kunnen mijn collega’s mijn zure gedachtes niet lezen. Ze vinden mijn gedrag al lastig en irritant genoeg. Dat merk ik aan alles. Aan de behoedzame, bijna nederige manier waarop ik word benaderd, aan het gefluister op de gang wanneer ik tijdens een meeting mijn ongezouten mening heb gegeven en aan de opgeluchte gezichten als ik bedank voor een gezamenlijke lunch of vrijdagmiddagborrel.

Functioneringsgesprekken

De enige momenten waarop ik rechtstreeks word geconfronteerd met mijn doen en laten zijn de functionerings- en beoordelingsgesprekken. Die gaan altijd hetzelfde: eerst worden mijn kwaliteiten geroemd en vervolgens valt er een ongemakkelijke stilte, waarin mijn gesprekspartner koortsachtig zoekt naar de juiste woorden voor het heikele onderwerp.

Vergeefse moeite, want ik luister er toch niet naar. Zodra ik termen als ‘geluiden vanuit het team’ of ‘sfeer op de werkvloer’ hoor, ga ik in de aanval. Ik noem de suggesties bespottelijk en mijn collega’s overgevoelig en vals. Als zij een probleem met mij hebben, moeten ze dat tegen mij zeggen en het niet achter mijn rug om met mijn leidinggevenden bespreken. Ik beticht ze ervan de poten onder mijn stoel weg te willen zagen en vervolgens glimlach ik meewarig. Want denken ze nu werkelijk dat ze een kans maken op mijn baan? Daar hebben ze toch helemaal niet het talent en de ervaring voor?

Mijn strategie faalt nooit. Na mijn tirade zit de persoon tegenover me met de mond vol tanden en wordt het gesprek snel afgerond. Maar waar ik de klachten voorheen afdeed als gezeur en dat ook daadwerkelijk gezeur vond, moet ik inmiddels toegeven dat ze gegrond zijn. Ik bén een lastige collega. Ik dóe moeilijk om niets. Ik bén nors en onredelijk. Ik weet het. Maar iets weten is iets heel anders dan het openlijk erkennen en er iets aan doen. Ik heb weleens een halfhartige poging gedaan hoor, maar dat voelde zo tegennatuurlijk en eng dat ik het meteen weer opgaf. En dat terwijl ik er privé juist zo ontzettend goed in ben geslaagd mijn leven een andere wending te geven.

Chronische stress

Na een alarmerende preek van mijn huisarts, over chronische stress en wat dat in je lichaam kan aanrichten, ben ik een paar jaar geleden in therapie gegaan. Het is mijn beste beslissing ooit geweest. Aanvankelijk was ik sceptisch, maar ik kwam er al snel achter dat die scepsis onderdeel was van het pantser dat ik als kind heb opgetrokken.

Niet dat mijn jeugd nou zo traumatisch was, maar als hooggevoelig nakomertje in een groot gezin dat volledig in beslag werd genomen door het familiebedrijf, heb ik gewoon nooit de warmte, liefde en erkenning gekregen die een kind nodig heeft.

Naarmate ik beter begreep wat die onvervulde behoeften met een kind doen, en dus ook met mij hebben gedaan, durfde ik mijn pantser te laten zakken. Eerst in de veilige beslotenheid van de behandelkamer, later thuis, bij mijn gezin, en uiteindelijk ook bij mijn vriendinnen. Het heeft me enorm veranderd. Ik was vroeger vaak humeurig en gestrest en kon dan vlijmscherp uithalen naar mijn dierbaren, nu ben ik veel meer in balans en een stuk vrolijker. Maar deze transformatie heb ik dus niet gemaakt in mijn werk.

Wisseling van de wacht

Zodra ik op maandagochtend in de auto stap, is het alsof er een wisseling van de wacht plaatsvindt en de vrouw die ik privé heb uitgebannen weer achter de knoppen gaat zitten. Mijn hele gestel gaat naar een hogere alarmfase. Ik begin te knarsetanden en te mopperen op medeweggebruikers en binnen de kortste keren zitten mijn schouders vol knopen.

Wat ik op zo’n moment voel, is onderhuidse dreiging. Alsof er een vreselijke ramp staat te gebeuren. Maar welke dan? Mijn therapeut kwam op de proppen met de term imposter syndrome, in het Nederlands oplichterssyndroom. Hij denkt dat de gedachte dat collega’s op mijn baan azen voortkomt uit mijn overtuiging dat ik die baan eigenlijk niet hoor te hebben, dat vroeg of laat zal uitkomen dat ik er helemaal niet geschikt voor ben.

Ik denk dat hij gelijk heeft. Want hoewel ik mijn werk al dertig jaar naar volle tevredenheid doe, voel ik me toch telkens superonzeker als ik zie met welke papieren nieuwe collega’s binnenkomen, terwijl ik slechts een zeer bescheiden opleiding heb genoten en nooit een voor mijn vakgebied relevant diploma heb behaald. En als ze dan met voor mij totaal vreemde termen beginnen te strooien, voel ik me inderdaad een enorme oplichter, die elk moment kan worden ontmaskerd.

Blijkbaar zit mijn angst zo diep dat ik meteen in oude patronen verval zodra ik naar mijn werk ga. Het grote verschil met vroeger is dat ik me er nu bewust van ben. Ik zie wat ik doe. Ik begrijp zelfs waaróm ik iets doe. Ik signaleer ook dat ik schade aanricht met mijn gedrag. Met mijn niet-aflatende kritiek haal ik mijn collega’s onderuit. Als ik zie dat ze onzeker zijn, laat ik ze bungelen door vooral geen bemoedigend commentaar te geven. Zelfs als ze hun werk uitmuntend hebben gedaan, krijgen ze van mij geen compliment. Erger nog, dan benoem ik juist hun minpunten. Want hoe beter mijn collega’s zijn, hoe incompetenter ik me voel en dat maakt me panisch.

Overlevingstactiek

Het is mijn overlevingstactiek. Ik onzeker, dan zij nog onzekerder. Ik weet het, vreselijk onsympathiek. Bovendien is het verontrustend. Hoe kan ik zo’n ander mens zijn op mijn werk? Ik ben Jekyll en Hyde! Het maakt dat ik soms verlang naar vroeger, toen ik niet gespleten was. Toen ik zonder enige gêne altijd en overál een lastig mens was.

Ik spreek er vaak over met mijn therapeut en mijn partner. Zij vinden allebei dat ik het gesprek aan moet gaan in plaats van die olifant in de kamer te blijven negeren. Gewoon eens luisteren naar wat men te zeggen heeft. Hoe erg kan het zijn? Wat ik me in mijn hoofd haal is waarschijnlijk erger. Ze vinden dat ik dan open moet zijn over mijn angsten, ze denken dat het zal opluchten. De tijden zijn veranderd, zegt mijn therapeut. Mentale issues zijn niet meer iets om je voor te schamen. Hij weet zeker dat ik op respect kan rekenen.

Dat zal wel, denk ik dan, maar ik ga mezelf toch echt niet aan de genade van mijn collega’s overleveren. Het zijn beste mensen, daar niet van, maar ik heb nu niet bepaald veel krediet bij ze opgebouwd. Ik weet zeker dat de meesten mij liever vandaag dan morgen zien vertrekken, hoe oprecht mijn spijt en zelfinzicht ook zullen klinken. Ik kan natuurlijk ook ontslag nemen. Ergens anders beginnen met een schone lei, als een leuke Fiona.

Dat klinkt best aantrekkelijk. Maar toch doe ik het niet. Ik hou van mijn werk en zo’n ideale baan als deze vind ik waarschijnlijk nooit meer. Voorlopig blijf ik daarom zitten waar ik zit, ook al betekent dat, zoals het er nu naar uitziet, dat ik nog lang zit opgescheept met een versie van mezelf die ik inmiddels net zo onmogelijk vind als mijn collega’s.”

De naam in dit artikel is gefingeerd.

Dit artikel komt uit Nouveau magazine, de toegankelijke glossy voor vrouwen met smaak, stijl en substantie. Meer lezen? Ga naar Nouveau.nl.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden